Wachten
Ik houd van wachten. Nee, niet het wachten op een meisje dat haar schoenen nergens kan vinden terwijl we vijf minuten geleden al op school hadden moeten zijn. Niet het wachten op een telefoontje waar veel van afhangt. Niet het wachten op een pakketje waar je erg naar uitkijkt. Maar het wachten op een bus. Op de trein. Tot je aan de beurt bent bij de tandarts, de gordijnspecialist, de bank. Dat verplichte nietsdoen waar je zelf nooit de tijd voor neemt. Heerlijk vind ik het. Gedachten die vrijelijk alle kanten op kunnen en mogen stromen, zonder dat ik iets anders moet. Want ik kan immers niets anders. Een vriendin met een jong zoontje zei ooit: in de wachtkamer bij de dokter moest ik wachten. Het kon me niet lang genoeg duren. Een rustpunt in de dag. Zelf dit rustpunt creeƫren werkt niet. Ik kan gaan zitten en denken: nu doe ik een half uur niets. Maar dan komen ze, de moetjes: ik moet nog een telefoontje plegen. Ik moet de was nog ophangen. Ik moet nog een boek schrijven. Ik moet de wereld nog verbeteren. En weg is je rust. Want het is niet verplicht, die rust. En dus kun je je er niet aan overgeven. Ik niet tenminste. Ik moest hieraan denken toen ik mijn dochter gisteren beloofd had om bij haar zwemles te kijken. Normaal is dat een vader-dochter ding, maar allez, ik ging mee. Drie kwartier bracht ik door in een warme, vochtige ruimte met een bedwelmende kakafonie aan geluid. Een weldaad voor de geest. Volgende week ga ik weer mee.